OBJECTIEVEN

Close-upobjectieven

Voor close-upfotografie heb je niet altijd een speciaal macro-objectief nodig. Lees verder over close-upobjectieven die je aan de voorkant op je bestaande cameraobjectief schroeft om dichterbij scherp te stellen dan normaal.
Close-upobjectieven worden niet op de objectiefvatting van je camera bevestigd, maar worden in de filterdraad aan de voorkant van een camera-objectief geschroefd. Om die reden worden ze soms close-upfilters genoemd. Maar dit is strikt genomen onjuist, omdat ze geen licht filteren. Ook worden ze wel aanvullende objectieven genoemd, omdat ze worden gebruikt als toevoeging aan een ander objectief.

Hoe je ze ook noemt, een close-upobjectief neemt heel weinig ruimte in, maar kan toch de mogelijkheden van je andere objectieven transformeren. Je kunt er dichterbij mee scherpstellen, bijna alsof je een vergrootglas gebruikt. Het is een ideaal accessoire als je niet te veel wilt meenemen wanneer je op pad gaat.

In de loop van de tijd heeft Canon een serie verschillende close-upobjectieven met twee ontwerpen gemaakt: met een enkel element en met een dubbel element. Het type met een dubbel element herken je aan de letter D. Beide typen zijn verkrijgbaar geweest in een reeks verschillende brandpuntsafstanden, waaronder 240, 250, 450 en 500 mm (dit bepaalt de mate van vergroting). Ze zijn ook verkrijgbaar met verschillende filterdraadafmetingen, zoals 52, 58, 72 en 77 mm, maar niet alle combinaties van brandpuntsafstanden en draadafmetingen zijn beschikbaar.

De belangrijkste factor voor de keuze van een close-upobjectief is de prestatie, en die hangt af van de constructie. Close-up-objectieven met een enkel element zijn betrekkelijk goedkoop en geschikt voor incidenteel gebruik, maar ze zijn niet zo goed als objectieven met een dubbel element. Simpel gezegd vertonen alle objectieven met een enkel element aberratie, meestal chromatische aberratie. Door een tweede element toe te voegen, heffen de aberraties van de twee elementen elkaar op. Een objectief met dubbel element of 'doublet' is misschien niet helemaal vrij van aberratie, maar is doorgaans wel een stuk beter dan een objectief met een enkel element.

De verbeterde prestaties zijn voornamelijk te zien aan de randen van de foto. Dit betekent dat wanneer je een bloem fotografeert, waarbij het onderwerp zich voornamelijk in het midden van het kader bevindt, een close-upobjectief met een enkel element waarschijnlijk voldoende is. Maar als je een opname maakt van een vlak onderwerp dat zich uitstrekt tot aan de randen van het kader, zoals op een prentbriefkaart of postzegel, dan geeft een doublet-objectief een veel scherper beeld aan de randen, vooral bij een groter diafragma.
Een close-upopname van een kevertje op een blad.

Een close-upobjectief helpt je om het kader te vullen met je onderwerp en biedt als voordeel dat het de hoeveelheid licht die de sensor van de camera bereikt, niet vermindert. Dit betekent dat je een snelle sluitertijd kunt gebruiken, waardoor het effect van bewegingen van de camera en het onderwerp wordt verkleind.

Het Canon 77-mm close-upobjectief 500D.

Canon's 500D close-upobjectief (niet te verwarren met de EOS 500D-camera) is verkrijgbaar met verschillende draadafmetingen waarop verschillende objectieven passen. Deze is geschikt voor objectieven met een 77-mm filterdraad, zoals het Canon EF 16-35mm f/4L IS USM-objectief.

Een vinger wijst naar het symbool boven op een camera – een cirkel met een streep erdoor – dat de positie van de sensor aangeeft.

De meeste camera's hebben een symbool boven op de body dat de positie van de sensor aangeeft. Dit helpt je om de scherpstelafstand te bepalen, die bij close-upfotografie sterk kan verschillen van de afstand tussen het onderwerp en de voorkant van het objectief.

Feiten en cijfers

Als je een close-upobjectief op je cameraobjectief bevestigt, dan werkt dat als een leesbril. De camera kan niet meer scherpstellen op oneindig, maar heeft wel een heel duidelijk beeld van onderwerpen dichtbij, die daarvóór buiten het scherpstelbereik vielen. In het algemeen geldt dat het Type 250D close-upobjectief is ontworpen voor cameraobjectieven met brandpuntsafstanden van 35 tot 135 mm. Er zijn echter ook goede resultaten mogelijk bij het gebruik van close-upobjectieven met brandpuntsafstanden buiten dit bereik.

De sterkte van close-upobjectieven wordt soms uitgedrukt in dioptrie. De dioptrie wordt berekend door 1.000 te delen door de brandpuntsafstand van het close-upobjectief. Dit betekent dat een Type 250-objectief een dioptrie van +4 heeft.

De werkafstand is de afstand tussen de voorkant van het close-upobjectief en het gebied van het onderwerp waarop het objectief scherpstelt. Verwar dit niet met de scherpstelafstand, die verwijst naar de afstand tussen het brandpuntsvlak en het onderwerp. De meeste camera's geven deze film- of sensorpositie aan met een symbool – een cirkel met een streep erdoor – boven op de body. Als je fotografeert met een close-upobjectief op een teleobjectief, dan kan het verschil tussen deze twee afstanden aanzienlijk zijn.

De brandpuntsafstand heb je nodig voor sommige close-upberekeningen, terwijl de werkafstand aangeeft hoe groot de ruimte tussen de voorkant van de camera en het onderwerp is, zodat je de positie van eventuele belichting kunt bepalen.

In het algemeen wordt afgeraden om voor close-upfotografie een Speedlite op de camera te gebruiken. Ten eerste ligt voor de meeste Speedlites de minimale werkafstand rond de 0,7 meter. Ten tweede valt bij close-ups, door de afstand tussen de Speedlite en het objectief, het grootste deel van het flitslicht waarschijnlijk niet op het onderwerp. Zelfs als je een Speedlite met een kantelbare flitskop gebruikt, loop je het risico dat het onderwerp in de schaduw van het objectief ligt.

Je kunt dit oplossen door een losse Speedlite te gebruiken, die met de camera is verbonden via een wireless verbinding of een kabel voor een losse flitsschoen. Doordat de Speedlite niet op de flitsschoen zit, kun je de flitser kantelen om het licht rechtstreeks op het onderwerp te richten. Je kunt de Speedlite ook achter de camera plaatsen (tot 60 cm van de camera met een kabel voor een losse flitsschoen) om de flitser binnen het normale werkbereik te gebruiken. Als je de flitser wat verder van de camera gebruikt, heb je ook het voordeel dat de textuur van het onderwerp beter wordt belicht.

Ook de ingebouwde flitser van de camera is ongeschikt voor veel close-upopnamen, vanwege het risico dat het licht gedeeltelijk wordt geblokkeerd door de objectieftubus.

Voor simpele foto's met een close-upobjectief is natuurlijk daglicht de beste belichting. De normale belichtingsmeter van de camera wordt niet beïnvloed door de toevoeging van het close-upobjectief en het is niet nodig om de sluitertijd te verlengen. Het is echter wel een goed idee om een statief te gebruiken om het effect van uitvergrote camerabewegingen te voorkomen.
Een goudbes, gefotografeerd op een bord.

Het hier gebruikte objectief kan van vrij dichtbij scherpstellen, maar wat doe je als je nog dichterbij wilt komen? Gefotografeerd met een Canon EOS 250D en een EF-S 18-55mm f/4-5.6 IS STM-objectief op 55 mm, 1/4 sec, f/11 en ISO 200.

Een goudbes op een bord, van dichterbij gezien.

Hetzelfde objectief met een close-upobjectief 500D van Canon geeft een significante extra vergroting zonder aan beeldkwaliteit in te leveren. Gefotografeerd met een Canon EOS 250D en een EF-S 18-55mm f/4-5.6 IS STM-objectief met close-upobjectief 500D van Canon op 55 mm, 1/4 sec, f/11 en ISO 200.

De vergroting berekenen

Als je een close-upobjectief op een cameraobjectief zet, neemt de maximale afmeting van het beeld dat je kunt maken toe. De afmeting van het beeld ten opzichte van de afmeting van het onderwerp wordt vergroting genoemd (al is het beeld meestal kleiner dan het onderwerp).

Bijvoorbeeld: als het beeld een tiende van de afmeting van het onderwerp heeft, dan is de vergroting 0,1x. Als het beeld de helft van de afmeting van het onderwerp heeft, dan is de vergroting 0,5x. Als het beeld en het onderwerp even groot zijn, dan is de vergroting 1x.

Bij het gebruik van een close-upobjectief is het heel eenvoudig om de vergroting te berekenen voor een cameraobjectief dat is ingesteld op oneindige scherpstelling. Deel gewoon de brandpuntsafstand van het cameraobjectief door de brandpuntsafstand van het close-upobjectief.

Vergroting = brandpuntsafstand van cameraobjectief / brandpuntsafstand van close-upobjectief

De brandpuntsafstand van een close-upobjectief blijkt, heel handig, uit de naam. Dus als je een 100-mm cameraobjectief met een Type 250D close-upobjectief gebruikt, dan is de vergroting bij oneindige scherpstelling 100/250, dus 0,4x. Hetzelfde close-upobjectief met een 200-mm objectief levert een vergroting van 0,8x op.

Als je een zoomobjectief gebruikt, baseer dan de berekening op de zoominstelling die je kiest. Bijvoorbeeld: het Canon EF-S 55-250mm f/4-5.6 IS STM-objectief kan worden gebruikt met het Canon 58-mm close-upobjectief 250D. Als je de ondergrens van het zoombereik gebruikt, 55 mm, dan krijg je een vergroting van 55/250 = 0,22x. En als je inzoomt op 250 mm, aan de bovengrens van het bereik, dan is de vergroting 250/250 = 1x.

Zoals je ziet, neemt de vergroting toe met de brandpuntsafstand van het cameraobjectief. Er zijn zelfs nog sterkere vergrotingen mogelijk als het cameraobjectief is scherpgesteld op een afstand die dichterbij is dan oneindig.

Vergroting bij verschillende brandpuntsinstellingen

Dus hoe bepaal je de vergroting van een close-upobjectief op een objectief voor een specifieke brandpuntsafstand? Stel het brandpunt van het cameraobjectief, met het close-upobjectief erop, op de gewenste waarde in (de maximale en minimale waarden zijn de beste).

Gebruik een liniaal waarvan de maatverdeling in millimeters duidelijk te zien is. Leg de liniaal haaks op de lens-as neer en beweeg de camera naar voren en achteren totdat de maatverdeling op de liniaal scherp in beeld is. Positioneer het midden van de zoeker zó over het midden van de maatverdeling dat de millimetermarkering ten minste de hele breedte van het kader in beslag neemt. (Probeer niet het nulpunt van de liniaal parallel aan de rand van de zoeker te krijgen. Door de parallaxfout en het verschil tussen het kader van het beeld en de beeldhoek van de zoeker, loop je het risico een gat te creëren tussen de kaderrand en het begin van de liniaal.) Neem nu een foto.

Bekijk het verwerkte resultaat en tel het aantal zichtbare millimeters. Stel dat je er 72 ziet. De breedte van een full-frame sensor is 35,9 mm, dus de vergroting bedraagt 35,9 gedeeld door 72, dus 0,499. Dat betekent dat de vergroting voor deze opstelling 0,5x is.
Een vork, gefotografeerd op een donker werkblad waarin veel krassen te zien zijn.

Zonder het gebruik van een extra close-upobjectief is dit ongeveer de kleinste afstand waarop kan worden scherpgesteld. Gefotografeerd met een Canon EOS 250D en een EF-S 18-55mm f/4-5.6 IS STM-objectief op 48 mm, 0,4 sec, f/16 en ISO 200.

Een vork op een donker, gekrast werkblad, van dichterbij gezien.

Door hetzelfde Canon EF-S 18-55mm f/4-5.6 IS STM-objectief op 48 mm te gebruiken, maar met de toevoeging van een close-upobjectief 500D van Canon, bedraagt de vergroting volgens de formule 48/500 = 0,1x. Close-upobjectieven hebben op objectieven met een grotere brandpuntsafstand een groter effect dan op kortere objectieven.

Close-upobjectief of tussenring?

Als je onderweg bent en weinig ruimte voor je uitrusting hebt, dan geef je wellicht de voorkeur aan een close-upobjectief, dat veel compacter is dan een tussenring. Aan de andere kant hangt je keus voornamelijk af van welke objectieven je hebt en welke vergroting je wilt bereiken. Close-upobjectieven hebben op een cameraobjectief met een grotere brandpuntsafstand een groter effect dan op een korter objectief. Tussenringen hebben precies het tegenovergestelde effect: de mate van vergroting neemt af naarmate de brandpuntsafstand van het cameraobjectief groter wordt. In de praktijk betekent dit dat tussenringen goed werken met korte objectieven (tot 100 mm bijvoorbeeld) en close-upobjectieven beter zijn voor langere objectieven.

Als je een grotere werkafstand nodig hebt, dan is de combinatie van een teleobjectief met een close-upobjectief meestal de beste keus. Als je een tussenring gebruikt op een groothoekobjectief, zul je waarschijnlijk merken dat je het onderwerp heel dicht moet naderen om scherp te stellen. Bovendien verminderen close-upobjectieven niet de hoeveelheid licht die op de sensor valt, in tegenstelling tot tussenringen. Dit kan cruciaal zijn wanneer je een redelijk snelle sluitertijd of een klein diafragma (of beide) nodig hebt.

Als je een lang teleobjectief hebt, heb je veel aan een close-upobjectief en is het een betere keus dan tussenringen. Als je tussenringen met zoomobjectieven gebruikt, zul je merken dat de scherpstelling verandert tijdens het in- en uitzoomen. Dit betekent dat je voortdurend opnieuw moet scherpstellen. Met close-upobjectieven gebeurt dit niet. Heb je eenmaal scherpgesteld, dan kun je de compositie wijzigen door in en uit te zoomen, zoals je normaal ook met een zoomobjectief doet. Gebruik de camera altijd op een statief, want de sterkere vergroting vergroot ook de effecten van camerabewegingen.

Als je een macro-objectief hebt, dan is een close-upobjectief heel handig om nog sterkere vergrotingen te bereiken, hoewel een close-upobjectief gewoonlijk minder effectief is bij kortere brandpuntsafstanden (korter dan ongeveer 35 mm). Als je streeft naar zeer sterke vergrotingen, probeer dan een macro-objectief met tussenringen en een close-upobjectief.

Geschreven door Angela Nicholson


Gerelateerde artikelen

Meld je aan voor de nieuwsbrief

Klik hier voor inspirerende verhalen en het laatste nieuws van Canon Europe Pro