CAMERAFUNCTIES

Alles wat je moet weten over autofocus (AF)

Lees meer over de autofocussystemen (AF) van Canon, hoe ze werken en welke AF-opties beschikbaar zijn.
De autofocussystemen van Canon zijn zo gebruiksvriendelijk en effectief dat veel fotografen zelden de handmatige scherpstelling, ofwel MF, gebruiken. Verwar dit niet met de handmatige belichtingsmodus, in het cameramenu en op het programmakeuzewiel (als je camera zo'n wiel heeft) aangeduid door M. Maar hoe werken deze systemen en wat betekenen de verschillende opties precies?

Als je automatische scherpstelling gebruikt, zijn er allerlei instellingen en opties beschikbaar, afhankelijk van de camera. Om sneller door de menu's te kunnen navigeren en deze te kunnen instellen, staan alle AF-instellingen en persoonlijke functies op één menutabblad, zodat je niet een ander menu hoeft te openen om wijzigingen aan te brengen. De EOS R5 beschikt over de volgende opties:

AF-bediening: One Shot AF (voor stilstaande onderwerpen) of AI Servo AF (voor bewegende onderwerpen). Sommige camera's hebben een AI Focus AF-modus waarin de camera kiest welke van de twee opties wordt gebruikt, op basis van de gedetecteerde beweging van het onderwerp. Lees meer over de AF-bedieningsmodi.

AF-methode:
  • Gezichtsdetectie – op de nieuwste camera's ook met het traceren van vogels en dieren;
  • 1-punt AF – de camera stelt scherp met een enkel AF-punt;
  • Spot AF – de camera stelt scherp in een nog kleiner gebied dan 1-punt AF;
  • AF-gebied vergroten – hier vind je twee opties. Met beide opties stelt de camera scherp met een enkel AF-punt, maar in geval van twijfel wordt nog een AF-punt gebruikt ter assistentie of wordt overgeschakeld naar dat punt, ofwel het verticaal of horizontaal volgende punt of ook het diagonaal volgende punt. Beide opties werken goed met bewegende onderwerpen die lastig te volgen zijn met 1-punt AF;
  • Zone-AF, Grote verticale zone of Grote horizontale zone – gebruikt automatische AF-selectie in een groter gebied en stelt desgewenst scherp op het dichtstbijzijnde onderwerp of aan de hand van verschillende criteria, zoals de gezichten, beweging van het onderwerp en afstand tot het onderwerp.
Lees meer over de AF-methodes.

Onderwerp herkennen – op de nieuwste camera's met Intelligente AF stel je met deze optie de camera-AI in om prioriteit te geven aan mensen of dieren of stel je geen prioriteit in. Lees meer over de opties voor AF-configuratie.

Oogdetectie aan of uit.

Touch & Drag AF-instellingen (beschikbaar op bepaalde nieuwere camera's, waaronder de EOS M50 Mark II en EOS R-systeemcamera's) – bepaal of je het AF-punt kunt verplaatsen door te slepen op het scherm van de camera (Relatief) of het AF-punt kunt instellen door te tikken (Absoluut).
De vinger van een gebruiker wijst naar de AF/MF-schakelaar op de tubus van een Canon-objectief.

Schakel autofocus in door de schakelaar op je objectief (indien aanwezig) van MF (handmatige scherpstelling) op AF te zetten. Anders kies je, afhankelijk van de camera, de scherpstelmodus AF in het cameramenu. Je kunt ook de pijltjestoetsen of de speciale schakelaar op de camera (indien aanwezig) gebruiken.

Een vinger drukt op de AF-aanknop aan de achterzijde van een Canon EOS-1D X Mark III en op het scherm aan de achterzijde zie je hoe de camera scherpstelt op een vliegende vogel.

Om de gewenste AF-instelling in te stellen, schakel je over naar AF, selecteer je de gewenste opnamemodus (AF werkt alleen in de automatische en semiautomatische modus) en druk je op de AF-knop op de camera. Houd de AF-aanknop ingedrukt totdat de camera heeft scherpgesteld. Als autofocus is bereikt, wordt het AF-punt groen als je de 1-beeld AF-modus gebruikt of blauw in de Servo AF-modus.

Hoe werkt AF in een spiegelreflexcamera of in een systeemcamera?

Als je een moderne EOS-spiegelreflexcamera gebruikt, weet je misschien niet dat deze camera in feite over twee verschillende AF-systemen beschikt. Eén wordt gebruikt wanneer het beeld wordt samengesteld in de zoeker en het andere wordt gebruikt in de Live View- of in de videomodus wanneer het beeld wordt samengesteld op het scherm aan de achterzijde van de camera. Systeemcamera's, waaronder de full-frame EOS R System-systeemcamera's, werken altijd in het equivalent van de Live View-modus en hebben dus maar één AF-systeem.

Als je de zoeker in een spiegelreflexcamera gebruikt, weerkaatst de grootste reflexspiegel het licht in de zoeker. Een kleinere spiegel achter de hoofdspiegel weerkaatst wat licht in een speciale autofocussensor. In de Live View- of videomodus wordt de hoofdspiegel boven het optische pad uit getild, zodat de beeldsensor altijd licht ontvangt, niet alleen tijdens de belichting. In deze modus gebruikt de spiegelreflexcamera de beeldsensor om de gegevens voor automatische scherpstelling te verzamelen. Systeemcamera's gebruiken uitsluitend dit systeem.

Wanneer de zoeker wordt gebruikt, gebruiken EOS-spiegelreflexcamera's lijnsensors met hoge gevoeligheid om het autofocusbereik te bepalen. Deze worden BASIS (BAse Stored Image Sensor) genoemd en bestaan uit twee 48-bits lijnsensors en het bijbehorende versterkercircuit.

De sensors bevinden zich onderin de camera. Aangezien de tweede spiegel achter de reflexspiegel van de camera het licht weerkaatst naar deze sensors, wordt dit licht opgesplitst door een kleine objectiefconstructie om twee afzonderlijke beelden te kunnen vormen. Eén afbeelding wordt gevormd op de eerste lijnsensor en de andere op de tweede lijnsensor. Als de sensors geen verschillen detecteren tussen de twee afbeeldingen, weet de camera dat het objectief is scherpgesteld. Als de afstand van de twee afbeeldingen echter niet correct is, wordt een signaal naar de motor van het objectief gestuurd met de boodschap om scherp te stellen op het onderwerp.

Spiegelreflexcamera's in de Live View-modus en systeemcamera's hanteren een vergelijkbaar principe, maar gebruiken gegevens van twee punten op de beeldsensor.

Dual Pixel CMOS AF

In de Live View- en videomodus gebruiken de goedkopere EOS-spiegelreflexcamera's een systeem voor automatische scherpstelling met gebruik van contrastdetectie. Dit is gebaseerd op het principe dat het beeld het scherpst is als het contrast tussen aangrenzende pixels het hoogst is. Dit systeem past de scherpstelling vaak een paar keer snel achter elkaar aan om het punt met het hoogste contrast te bepalen. EOS-systeemcamera's en de meeste EOS-spiegelreflexcamera's werken echter op basis van een ander principe, namelijk fasedetectie. Hierbij wordt een speciale functie van het design van de beeldsensor gebruikt, en wel Canon's Dual Pixel CMOS AF-systeem, dat in 2013 werd geïntroduceerd in de EOS 70D.

Elke pixel op de Dual Pixel CMOS-sensor heeft twee onafhankelijke fotodiodes (de onderdelen van de sensor die de intensiteit of helderheid van het licht opnemen). De cameraprocessor vergelijkt de signalen van de twee fotodiodes en als deze overeenkomen, is het desbetreffende gedeelte van de afbeelding scherp. Als de signalen verschillen, worden de paren fotodiodes van een groep pixels vergeleken en vervolgens wordt berekend in welke richting en in hoeverre het objectief moet worden aangepast om goede scherpstelling te bereiken. Op deze manier scherpstellen met Dual Pixel CMOS AF-fasedetectie gaat vaak sneller en is effectiever dan scherpstellen met contrastdetectie.

Bovendien gebruiken andere AF-systemen slechts een beperkt aantal, speciaal daarvoor bedoelde individuele pixels voor fasedetectie-AF, maar gebruikt Dual Pixel CMOS AF elke pixel in de beeldsensor. Dat betekent dat het actieve AF-gebied in feite het volledige afbeeldingsframe beslaat. Bovendien kan de camera zo aanzienlijk beter een onderwerp in het frame volgen, omdat er geen tussenruimtes zijn tussen de AF-punten. Dit levert enorme voordelen op voor videobeelden, zoals het naadloos volgen van bewegende onderwerpen en prachtige pull-focus-effecten die je kunt instellen op het touchscreen. Deze technologie wordt gebruikt in de professionele Cinema EOS-cinecamera's van Canon.
Een diagram illustreert hoe het licht op de twee fotodiodes in een pixel valt in Canon's Dual Pixel CMOS AF-systeem.

In Canon's unieke Dual Pixel CMOS AF-systeem kan elke pixel in de sensor zowel beeldverwerking als fasedetectie AF aan. Elke pixel heeft twee onafhankelijke fotodiodes die hier zijn aangeduid met A en B. Als er sprake is van afwijking tussen de twee signalen, weet de camera dat er niet goed is scherpgesteld op dat punt van de foto. Door naar de paren fotodiodes van een groep pixels te kijken, kan de camera bepalen hoeveel aanpassing er nodig is en in welke richting om een goede scherpstelling te bereiken.

Een uitsnede van het lichtpad in een spiegelreflexcamera, waarbij het licht het objectief binnenkomt en naar de zoeker en de autofocusmodule van de camera wordt weerkaatst.

Als je de zoeker van een spiegelreflexcamera gebruikt, valt licht dat wordt weerkaatst door een tweede spiegel op de speciale autofocussensor onderin de camera. Als je overschakelt naar Live View, wordt de beeldsensor gebruikt voor zowel scherpstelling als beeldverwerking.

Autofocusmodi

De meeste EOS-camera's beschikken over twee verschillende autofocusmodi, andere hebben zelfs drie. Hoewel het objectief altijd automatisch zal scherpstellen, bereik je de beste resultaten als je de modus aanpast aan het onderwerp.

One shot AF (1-beeld AF)

De 1-beeld AF-modus is geschikt voor de meeste onderwerpen die niet bewegen als je de foto neemt. Met de eerste druk op de ontspanknop wordt de scherpstelling vergrendeld.

1-beeld AF is de beste als je niet weet welke modus je moet gebruiken. Dat is een goede algemene instelling die geschikt is voor de meeste onderwerpen. In de praktijk plaats je je onderwerp in de zoeker en druk je de ontspanknop half in. Hiermee activeer je onder andere de autofocus. Het objectief stelt scherp op het onderwerp en vergrendelt deze instelling. In de zoeker verschijnt een groen signaal om te bevestigen dat de scherpstelling is ingesteld en je hoort tevens een pieptoon (tenzij je die hebt uitgeschakeld).

Zolang je de ontspanknop gedeeltelijk ingedrukt houdt, verandert de scherpstelling niet, ook niet als je de camera verplaatst om de compositie van de opname te veranderen. Dit is een bijzonder handige en snelle manier om scherpstelvergrendeling in te stellen. Als de scherpstelling niet wordt bereikt, wordt het AF-punt oranje.

In de 1-beeld AF-modus kun je de ontspanknop alleen volledig indrukken om de opname te maken als het onderwerp scherp is. Als de camera het objectief niet kan scherpstellen, kun je dus geen foto's nemen.

AI Servo AF

De AI Servo AF-modus is ontworpen voor snel bewegende onderwerpen. De camera berekent waar het onderwerp zal zijn op het moment dat de ontspanknop wordt ingedrukt en stelt het objectief dienovereenkomstig scherp.

In tegenstelling tot 1-beeld AF maakt AI Servo AF geen gebruik van scherpstelvergrendeling. De scherpstelling wordt voortdurend gecontroleerd en tot aan het moment van belichting wordt de scherpstelling van het objectief steeds aangepast wanneer de afstand tussen de camera en het onderwerp verandert. Daarom is deze modus ideaal voor het fotograferen van bewegende onderwerpen. Je kunt de ontspanknop gedeeltelijk ingedrukt houden terwijl je het onderwerp met de camera volgt en de knop helemaal indrukken om precies op het goede moment een foto te maken.

Het AF-punt wordt blauw wanneer scherpstelling is bereikt in de AI Servo AF-modus. Een mogelijk probleem is wel dat in AI Servo AF de ontspanknop ook kan worden ingedrukt als het onderwerp niet scherp is. Als het objectief nog niet klaar is met het aanpassen van de scherpstelling of niet goed kan scherpstellen, krijg je een onscherpe foto.

Aangezien het een voorspellend systeem is, wordt de volgende positie van het onderwerp dat wordt gevolgd voortdurend berekend door de resultaten van de scherpstelafstand te vergelijken zodra deze bekend zijn. Het algoritme negeert metingen die aanzienlijk afwijken van wat wordt verwacht op basis van andere resultaten. Zo wordt de kans verlaagd dat het objectief volledig de scherpte verliest.

AI Focus AF

De AI Focus AF-modus schakelt tussen 1-beeld AF en AI Servo AF afhankelijk van de beweging van het onderwerp. De camera kiest de modus.

1-beeld AF is geschikt voor stilstaande en langzaam bewegende onderwerpen en AI Servo AF is beter voor snel bewegende onderwerpen. Maar wanneer moet je overschakelen? Dat beslist de camera voor je. Als AI Focus AF is geselecteerd, schakelt de camera automatisch over van de 1-beeld AF- naar de AI Servo AF-modus wanneer wordt vastgesteld dat het onderwerp zich met een bepaalde snelheid verplaatst.

De camera detecteert beweging door meerdere AF-metingen uit te voeren als de ontspanknop gedeeltelijk wordt ingedrukt. Als de afstand tot het onderwerp tussen de metingen door verandert, trekt het systeem de conclusie dat het onderwerp zich beweegt. De camera bepaalt de snelheid van de beweging op basis van de variatie in de afstanden.

Als je meestal foto's maakt van landschappen en andere statische onderwerpen, is AI Focus AF een goede standaardinstelling voor je camera. Als je dan bij wijze van uitzondering een snel bewegend onderwerp moet fotograferen, hoef je er niet aan te denken dat je de AF-modus moet veranderen. De meeste sport- en wildlifefotografen kiezen voor AI Servo AF.
Een Canon EOS RP op een statief, met het AF-punt op het scherm aan de achterzijde ingesteld op een bij op een bloem.

Als je een enkel AF-punt of 1-punts AF gebruikt, kun je richten op het gedeelte van het onderwerp waarop de camera moet scherpstellen. Eén punt Spot AF of Spot AF stelt de camera in op het gebruik van een nog kleiner gebied van de AF-sensor. Dit is ideaal bij het fotograferen van een bijzonder klein onderwerp, zoals in dit geval het insect.

Een windsurfer op het scherm aan de achterzijde van een camera met drie van de negen AF-punten actief.

In de AI Servo AF-modus, blijft de camera de scherpstelling voortdurend aanpassen om de beweging van het onderwerp te volgen. Zelfs in deze modus is het alsnog belangrijk om het AF-punt of de AF-punten op het onderwerp te houden. Je kunt alle AF-punten actief laten en je camera een of meerdere gewenste punten laten selecteren, of je kunt handmatig een enkel AF-punt selecteren. Dit laatste is het beste wanneer het onderwerp binnen het kader klein is of wanneer de achtergrond het voor de camera moeilijk maakt om het onderwerp te kiezen als alle AF-punten zijn geactiveerd. Met je camera kun je kleinere AF-groepen of -zones instellen. Dit is nuttig wanneer de actie onvoorspelbaar is en wanneer het te moeilijk zou zijn om een enkel AF-punt op het bewegende onderwerp te houden.

Voorspellend scherpstellen

Als je foto's maakt van bewegende onderwerpen, is het niet handig als het objectief scherpstelt op het onderwerp als je de ontspanknop indrukt. Dan wordt er namelijk geen rekening gehouden met de sluitervertraging, de bijzonder korte tijd tussen het indrukken van de knop en het openen van de sluiter. De reflexspiegel in een spiegelreflexcamera moet tijdens deze periode openklappen, zodat licht door het objectief kan vallen en de sensor achterin de camera kan bereiken. Ook systeemcamera's hebben te maken met sluitervertraging. Bij gebruik van een mechanische sluiter moet het sluitermechanisme immers sluiten en weer openen voor de belichting.

Op moderne camera's is de sluitervertraging bijzonder kort, meestal zo'n 55 milliseconden bij professionele camera's tot zo'n 144 ms bij camera's voor beginners. Als we uitgaan van een gemiddelde vertraging van 100 ms, kunnen we uitrekenen hoe ver een onderwerp zich gedurende die tijd kan verplaatsen. Iemand die met een snelheid van 5 kilometer per uur loopt, legt per seconde 1,4 m af. In een tiende van een seconde (100 ms), wordt dan dus 0,14 m ofwel 14 cm afgelegd. Het is onwaarschijnlijk dat dit een grote invloed zal hebben op de scherpstelling. Maar stel je nu voor dat je foto's maakt van een raceauto die 200 km per uur rijdt. Dat is 40 keer sneller dan een wandelaar, dus in een tiende van een seconde wordt een afstand van meer dan 5 meter afgelegd. Dan zou je wel eens heel onscherpe beelden kunnen krijgen.

De camera's van Canon lossen dit op met gebruik van voorspellend scherpstellen. Na meerdere metingen te hebben uitgevoerd in de AI Servo AF-modus kan de camera de snelheid van een bewegend onderwerp bepalen, evenals de richting waarin het onderwerp zich beweegt. Deze informatie wordt opgenomen in de instructies die naar het objectief worden gestuurd, zodat het objectief kan scherpstellen op het punt waar het onderwerp zal zijn als de sluiter wordt geopend.

Als AI Servo AF is ingesteld, legt de camera de positie van het onderwerp voortdurend vast om op basis van de bewegingen tot nu te kunnen voorspellen waar het onderwerp zich zal bevinden voor het volgende beeld. Als de camera de positie van het onderwerp in een opnameperiode niet kan detecteren, negeert het AI Servo AF-algoritme het negatieve resultaat en wordt het volgende scherpstelpunt gebaseerd op eerdere, nauwkeurige resultaten. De resultaten worden ook genegeerd wanneer de AF-afstand te veel verschilt van de vorige meting, zo kun je een onderwerp dus blijven volgen, ook als er een obstakel tussen jou en je onderwerp staat (hierover later meer).

En ook als de focusafstand ineens enorm verandert, stuurt de camera het objectief niet meteen naar de nieuwe afstand. In plaats daarvan wordt het objectief geleidelijk scherpgesteld, op basis van de vorige succesvolle scherpstelafstand.

Sensors voor scherpstellen in spiegelreflexcamera's

Er is al uitgelegd dat systeemcamera's de beeldsensor gebruiken om scherp te stellen, maar dat spiegelreflexcamera's een afzonderlijke scherpstelsensor hebben. De eerste EOS-camera's gebruikten één AF-sensor of scherpstelpunt. Deze sensor was zo geplaatst dat het objectief scherpstelde op een onderwerp midden in het beeld in de zoeker. Er zijn echter veel omstandigheden waarin het hoofdonderwerp niet in het midden van het beeld staat en daarom hebben alle EOS-camera's vanaf de EOS 10 uit 1990 meerdere scherpstelpunten. Er bevinden zich meerdere AF-sensors in het volledige beeldgebied die allemaal een ander gedeelte van de scène meten. De camera kan deze metingen analyseren en beslissen welk scherpstelpunt geactiveerd moet worden. Ook de fotograaf kan kiezen welk punt moet worden gebruikt. In beide gevallen wordt het objectief scherpgesteld op basis van de informatie van het actieve punt.

Tegenwoordige heeft zelfs de eenvoudigste spiegelreflexcamera een autofocussensor met meerdere AF-punten. De
EOS 4000D heeft bijvoorbeeld 9 punten en Canon's paradepaardje, de EOS-1D X Mark III, heeft 191 punten. Enkele van deze punten worden gevormd door twee lijnsensors die een kruis vormen dat zowel gevoelig is voor horizontale als verticale details. Enkele-lijnsensors hebben bijvoorbeeld moeite om scherp te stellen op een ononderbroken patroon van verticale lijnen, omdat zij wijzigingen moeten detecteren in het contrast van de verticale lijnen die ze scannen om te kunnen scherpstellen. AF-kruismetingspunten verhogen de AF-snelheid, -nauwkeurigheid en -effectiviteit bij weinig licht.

Bepaalde punten, vaak het centrale punt, kunnen ook fungeren als dubbele AF-kruismetingspunten. Dat wil zeggen dat ze twee AF-lijnsensors hebben die naast een X ook een standaard plusteken vormen, gevormd door horizontale en verticale lijnsensors. Zo kun je met meer gevoeligheid en precisie scherpstellen.

Enkele van deze punten functioneren anders, afhankelijk van het grootste diafragma van het bevestigde objectief (zie het diagram hieronder). Als vuistregel geldt dat objectieven met groter diafragma de beste resultaten halen uit het AF-systeem van de camera.
Enkele stengels van paarse bloemen in een veld, met twee actieve AF-punten in de AF-zone.

Als de camera is ingesteld op het selecteren van het AF-punt in een groot gebied, richt deze zich op de objecten het dichtst bij het AF-punt en bij het midden van het frame.

Een diagram van een sensor met 45 AF-punten in verschillende kleuren, op basis van de objecten waarmee ze werken.

Een diagram van een sensor met 45 AF-punten. Zwart: verticale lijnsensors die werken met objectieven met een diafragma van f/5.6 of groter. Blauw: kruistypesensors die werken met objectieven met een diafragma van f/2.8 of groter; verticale lijnsensors die werken met objectieven met een diafragma van f/5.6 of groter. Rood: kruistypesensor die werkt met objectieven met een diafragma van f/4 of groter; verticale lijnsensor die werkt met objectieven met een effectief diafragma van f/8 of groter. Zie je hoe zes van de zeven kruistypesensors (de blauwe) alleen werken met een beperkt aantal objectieven, vooral de snelle prime-objectieven en de f/2.8-zoomobjectieven? Als je geen van deze objectieven gebruikt, spelen de kruistypesensors geen rol bij de automatische scherpstelling van je objectief.

Methodes voor AF-puntselectie (AF-methode)

Hoewel je met veel AF-punten nauwkeurig kunt richten op een onderwerp, is het soms handiger om de punten een groter gebied te laten beslaan, zodat het onderwerp gemakkelijker te vinden is. Daarom beschikken EOS-camera's over meerdere methodes voor AF-puntselectie om te bepalen hoe het actieve AF-punt wordt geselecteerd. Deze methoden verschillen afhankelijk van of je een spiegelreflexcamera in de zoekermodus of in de Live View-modus gebruikt of bijvoorbeeld een EOS-systeemcamera, maar ze werken op een vergelijkbare manier.

Bij de methode met een enkel AF-punt of 1-punt AF kan de fotograaf één van de beschikbare AF-punten selecteren en gebruiken om scherp te stellen. Daarentegen maakt de camera bij automatische selectie een keuze uit de beschikbare AF-punten om scherp te stellen op het onderwerp.

1-punt Spot AF of Spot AF is hetzelfde als een enkel AF-punt en 1-punt AF, maar bij Spot gebruikt de camera een kleiner gedeelte van de AF-sensor zodat je het AF-punt nauwkeuriger op het geselecteerde onderwerp kunt plaatsen. Dit is handig als je om obstakels heen moet fotograferen, bijvoorbeeld wanneer je scherpstelt op een dier dat in hoog gras ligt. Spot AF wordt alleen niet aangeraden voor snel bewegende onderwerpen of bij erg weinig licht. Als je een van deze twee opties gebruikt, knipperen de AF-punten van een ander type dan het kruistype tijdens de AF-puntselectie, zodat je weet of het AF-punt dat je wilt gebruiken al dan geen kruistypepunt is.

Sommige camera's beschikken bovendien over een aantal instellingen voor AF-puntuitbreiding, zodat je bewegende onderwerpen beter kunt volgen. In de AF-puntuitbreidingsmodus wordt één AF-punt handmatig geselecteerd en de camera gebruikt dat punt plus de vier of acht omliggende punten om het onderwerp te volgen. Dat is erg handig bij sportfotografie, omdat je zo het actieve gebied op het onderwerp kunt houden. Het is gemakkelijker om een groep AF-punten op een bewegend onderwerp te houden dan één AF-punt.

Bepaalde EOS-camera's beschikken tevens over een Zone-AF-methode, in sommige gevallen met meerdere aanvullende opties, zoals Grote zone-AF: verticaal en Grote zone-AF: horizontaal. Met deze opties kun je specifieke gebieden of zones in het beeld gericht scherpstellen. De fotograaf selecteert de zone en de camera selecteert de AF-punten die moeten worden gebruikt in die zone.

De Zone AF-opties zijn handig als je ongeveer weet wat de positie van het onderwerp in het beeld zal zijn en als het lastig is om een kleiner actief gebied op het onderwerp te behouden.

Je kunt een AF-methode kiezen door AF-methode te selecteren op het eerste tabblad van het AF-menu in de camera. Je kunt de AF-methode ook instellen door op de AF-puntselectieknop te drukken en vervolgens op de M-Fn-knop, als je camera die heeft. Steeds als je drukt, wordt de volgende AF-methode geselecteerd.

Het AF-punt opgeven

Hoewel automatische AF-puntselectie doorgaans prima resultaten oplevert, is deze optie in bepaalde situaties minder geschikt. Als je bijvoorbeeld een landschapsfoto wil maken en er vlak voor de camera een boomtak hangt, stelt de camera misschien scherp op de tak en niet op het landschap erachter.

Voor de meest nauwkeurige scherpstelling schakel je over naar de modus 1-punt Spot AF, een enkele AF-punt of 1-punt AF en selecteer je een AF-punt dat zich in het gebied bevindt waarop je wilt scherpstellen. Op nieuwere camera's, waaronder de EOS R, EOS R5, EOS R6 en EOS-1D X Mark III, kun je het eerste Servo AF-punt gebruiken om het onderwerp te selecteren dat automatisch moet worden gevolgd door het systeem.

Je kunt ook een geschikt punt selecteren en de techniek voor scherpstellen en compositie aanpassen gebruiken die verderop wordt beschreven in de sectie Scherpstelvergrendeling.

EOS Intelligent Tracking and Recognition AF (EOS iTR AF)

Je kunt EOS Intelligent Tracking and Recognition AF ook selecteren op bepaalde EOS-spiegelreflexcamera's in de modus Automatische selectie AF en Grote zone of Zone AF. Als deze instelling geactiveerd is, benut de camera de gegevens van de RGB AE-sensor en de DIGIC-beeldprocessor voor verbetering van de scherpstelling in de AI Servo-modus. Kleur- en belichtingsgegevens kunnen dus worden gebruikt om het AF-systeem van informatie te voorzien.

Met uitzondering van situaties waarin ze Dual Pixel CMOS AF gebruiken, zoeken AF-systemen naar contrast en stellen ze scherp op het gebied met het grootste contrast. In sommige situaties, vooral in het geval van automatische AF-puntselectie, kan dit er echter toe leiden dat er ineens wordt scherpgesteld op een ander gebied als de contrastniveaus veranderen vanwege veranderingen in de belichting. Door informatie over de kleur van een onderwerp op te nemen in de berekeningen van het AF-systeem kan het onderwerp beter worden gevolgd. Door gebruik te maken van de kleur van het onderwerp waarop oorspronkelijk was scherpgesteld, kan het AF-systeem de beweging van dat onderwerp volgen, zowel op basis van het contrast als op basis van de kleuren in het beeld. Vervolgens wordt het beste scherpstelpunt automatisch geselecteerd, rekening houdend met de positie van het onderwerp in het beeld.

Het systeem werkt niet alleen met de kleur van onderwerpen, maar ook met gezichten. Aangezien het AE-systeem een gezicht in het frame kan detecteren, kan het onderwerp nauwkeurig en snel in het frame worden gevolgd zonder voortdurend het scherpstelpunt te moeten veranderen. Als er meerdere gezichten in het frame zijn, kun je handmatig een AF-punt selecteren om er zeker van te zijn dat in eerste instantie op het juiste gezicht wordt scherpgesteld zodat dat gezicht wordt gevolgd in de volgende frames.

Face Detect + Tracking en Eye Detect AF

Dankzij verdere ontwikkelingen op het gebied van gezichtsherkenning heeft Canon nu de nieuwe functie Face Detect + Tracking en Eye Detect AF kunnen introduceren op EOS-systeemcamera's en nieuwe spiegelreflexcamera's in de Live View-modus. In deze modus maakt de camera gebruik van kunstmatige intelligentie om naar gezichten in de scène te zoeken. Als oogdetectie ingeschakeld is, worden ogen gedetecteerd en wordt scherpgesteld op de geselecteerde ogen.

Met de nieuwste ontwikkeling van het systeem kun je de camera instellen op het detecteren van mensen of dieren (vooral honden, poezen en vogels) in het frame. Deze optie is dus ideaal voor wildlifefotografie en portretfoto's van mensen of huisdieren.

Het AF-punt verschijnt op een willekeurig gedetecteerd gezicht, dat vervolgens wordt gevolgd. Als er geen gezicht wordt gedetecteerd, wordt het volledige AF-gebied gebruikt voor automatische AF-selectie.
Het scherm aan de achterzijde van een Canon EOS M6 Mark II waarop je ziet dat de camera automatisch scherpstelt op het gezicht en oog van een man met een blauwe baseballpet.

Op camera's met Face Detect + Tracking en Eye Detect AF (zoals de hier gebruikte EOS M6 Mark II) kun je gemakkelijk scherpe portretten maken. De camera zoekt namelijk naar gezichten of zelfs ogen in het kader en stelt daar automatisch op scherp. Op sommige camera's wordt het AF-punt blauw als die is scherpgesteld op een oog.

Een kraanvogel duikt omlaag om een vis uit het water te pakken.

Naast gezichts- en oogdetectie zijn de mogelijkheden van het AF-systeem op de EOS R5 en EOS R6 uitgebreid met het volgen van dieren en vogels. Dit wordt mogelijk gemaakt door kunstmatige intelligentie met 'deep learning'. © Robert Marc Lehmann

AF-configuratietool

Bij de instellingen van meer geavanceerde EOS-camera's zie je enkele configuratie-opties waarmee de fotograaf kan aanpassen hoe het AF-systeem reageert op bepaalde situaties.

De optie voor trackinggevoeligheid is bijvoorbeeld handig om te bepalen hoe de camera reageert als er objecten tussen de camera en het onderwerp verschijnen. De standaardinstelling nul is nuttig voor het fotograferen van allerlei verschillende bewegende onderwerpen. Als je de instelling -1 of -2 (Vergrendeld) selecteert, blijft de camera het onderwerp volgen, ook als er een object tussen komt. Dit is bijvoorbeeld handig tijdens het pannen, waarbij de kans groot is dat er even bomen, lantaarnpalen of stadionzuilen in beeld komen. Ook tijdens zwemfoto's kan het handig zijn, als het onderwerp eventjes onder water verdwijnt.

Als je de trackinggevoeligheid instelt op een positieve waarde, dus op +1 of +2 (Responsief), reageert de camera snel op wijzigingen in de afstand tot het onderwerp. Dit is nuttig als het onderwerp snel op de camera af komt of als je wilt dat de camera altijd scherpstelt op het dichtstbijzijnde onderwerp. Als je echter een foto maakt van een teamsport, kan het zijn dat dan steeds op een andere speler wordt scherpgesteld.

Met de trackingoptie voor versnellen/vertragen bepaal je hoe het AF-systeem reageert op wijzigingen in de snelheid. Er zijn drie instellingen waarmee je de scherpstelreactie kunt aanpassen voor een stabieler AF-systeem. De instelling 0 is bedoeld voor onderwerpen die met een vrij constante snelheid bewegen, dus bijvoorbeeld als je foto's maakt van raceauto's of fietsers op een rechte, platte weg. De instellingen 1 en 2 zijn ontworpen voor onderwerpen die plotseling bewegen of sneller gaan of ineens stoppen. Dit is handig voor snelle en onvoorspelbare onderwerpen, zoals basketballers. Gebruik deze instellingen niet voor regelmatig bewegende onderwerpen, aangezien de scherpstelling dan misschien minder stabiel wordt.

Automatisch overschakelen tussen AF-punten wordt gebruikt in combinatie met automatische AF-puntselectie, Zone AF of AF-puntuitbreiding. Hiermee kun je de snelheid aanpassen waarbij de AF-punten veranderen om een onderwerp in het frame te kunnen volgen. Bij de standaardinstelling 0 is een geleidelijke wijziging van het AF-punt mogelijk. Als je 1 of 2 selecteert, neemt de snelheid waarbij een ander AF-punt wordt geselecteerd geleidelijk toe. Op de nieuwste camera's, zoals de EOS-1D X Mark III, EOS R5 en EOS R6, staan de opties voor het automatisch overschakelen van het AF-punt in de algemene AF-menu's.

Vooraf ingestelde AF-configuratie

De configuratieknoppen kunnen worden ingesteld op aangepaste waarden, maar er zijn ook zes voorinstellingen die speciaal zijn ontworpen voor verschillende scenario's. Je hoeft gelukkig niet te onthouden waar elke instelling precies voor is, want in de menuweergave zie je een pictogram en een praktisch voorbeeld, zodat je gemakkelijk de juiste optie kunt kiezen. De allernieuwste geavanceerde EOS-camera's beschikken ook over een automatische instelling waarmee de tracking automatisch wordt aangepast terwijl de camera zich aanpast aan de beweging van het onderwerp.

Optie 1: een veelzijdige instelling voor veel situaties – De standaardinstelling, Optie 1, is bedoeld voor algemene opnamen. In een groot aantal verschillende opnamesituaties wordt snel en nauwkeurig scherpgesteld. Als je in elke situatie gewoon deze optie selecteert, maak je niet optimaal gebruik van het AF-systeem. Met wat kleine aanpassingen krijg je vast nog betere resultaten.

Optie 2: de camera blijft onderwerpen volgen en negeert mogelijke obstakels – De camera blijft scherpstellen op het onderwerp, zelfs als het onderwerp zich bij het AF-punt vandaan verplaatst of als er eventjes een obstakel tussen jou en je onderwerp in komt te staan. Dit is handig als je foto's maakt van mensen die zwemmen, freestyleskiën of tennissen.

Optie 3: de camera stelt meteen scherp wanneer een onderwerp in het actieve AF-gebied komt – Optie 3 is nuttig als je snel wilt vergrendelen op een nieuw onderwerp of als je snel wilt overschakelen naar een ander onderwerp. Deze optie is bijvoorbeeld geschikt voor alpineskiën of het begin van een wielerwedstrijd, dus in situaties waarin je snel wilt kunnen kiezen uit meerdere onderwerpen.

Optie 4: voor onderwerpen die snel versnellen of vertragen – Optie 4 is bedoeld voor onderwerpen die snel van richting of snelheid veranderen, zoals bij motorsport of voetbal. De camera geeft prioriteit aan de snelheid van het volgen om deze snelheidswijzigingen te kunnen bijbenen, ook als uit de scherpstelresultaten blijkt dat het om een bijzonder snelle wijziging in de scherpstelafstand gaat.

Optie 5: voor onderwerpen die op onvoorspelbare wijze in verschillende richtingen bewegen – Optie 5 is ontworpen voor gebruik met automatische AF-puntselectie, Zone-AF en AF-puntuitbreiding en onderwerpen die totaal onvoorspelbaar omhoog en omlaag en naar links of naar rechts bewegen. Met deze instellingen kan de camera snel overschakelen naar andere AF-punten om de beweging bij te houden. Het is bijzonder geschikt voor kunstschaatsers of acrobaten, dus in situaties met veel onverwachte bewegingen.

Optie 6: voor onderwerpen die onverwachts van snelheid veranderen en onverwachte bewegingen maken – Optie 6 is eigenlijk een combinatie van Optie 4 en Optie 5. Net als Optie 5 wordt deze instelling gebruikt met automatische AF-puntselectie, Zone-AF en AF-puntuitbreiding. Zelfs als het onderwerp plotseling start of stopt of onverwachts van richting verandert, kan de camera met deze instelling snel reageren om het onderwerp scherpgesteld te houden. Deze instelling is het handigst voor bijvoorbeeld basketbal- of gymnastiekwedstrijden of voor vogels in de lucht, dus in situaties waarin vaak onverwachts van richting en snelheid wordt veranderd.

Optie A: de tracking past zich automatisch aan de beweging van het onderwerp aan – Optie A is een meer geavanceerde standaardinstelling dan Optie 1, aangezien de camera zich automatisch aanpast aan de beweging van het onderwerp en de parameters automatisch worden aangepast. Deze functie werd geïntroduceerd in de EOS-1D X Mark III en is ook beschikbaar in de EOS R5 en EOS R6. Deze en toekomstige modellen beschikken niet meer over Optie 5 en Optie 6.
Een snel rijdende rood-witte raceauto scherp in beeld, tegen een vervaagde achtergrond en een voorgrond met beplanting.

Tenzij je een volkomen ongehinderd zicht hebt tijdens het pannen van de camera om een bewegend onderwerp te volgen, is de kans groot dat objecten zoals bomen, straatlantaarns en zuilen even tussen de camera en het onderwerp in komen te staan. Selecteer Optie 2 in het scherm met AF-configuratie om deze objecten te negeren, zodat de camera het gewenste onderwerp blijft volgen. © Frits van Eldik

The AF configuration screen of an EOS R6 showing the camera set to Servo AF with the Case 2 preset selected.

AF-fijnafstelling

Sommige EOS-spiegelreflexcamera's beschikken over AF-fijnafstelling. Hiermee kunt je het precieze scherpstelpunt iets naar voren of naar achteren verplaatsen, zodat de camera en het objectief perfect zijn uitgelijnd.

Vanwege de hogere resolutie van camerasensors, is zelfs het kleinste scherpstelverschil beter zichtbaar als je de beelden bekijkt. Hoewel de camera's en de objectieven met precisie zijn gemaakt, is er altijd sprake van een zeker tolerantiebereik en in sommige gevallen bevinden de camera en het objectief zich aan verschillende uiteinden van dit spectrum. In dit geval zie je dat het scherpstelpunt zich voor of achter het punt bevindt waar je het zou verwachten. Met fijnafstelling kun je dit corrigeren.

Deze optie is overbodig op systeemcamera's, aangezien de beeldsensor daar ook fungeert als scherpstelsensor.

Als AF-fijnafstelling is geselecteerd, detecteert de camera het serienummer van het objectief, zodat je voor elk objectief specifieke aanpassingen kunt aanbrengen op basis van het serienummer. Als het serienummer van het objectief niet wordt gedetecteerd, kun je via het cameramenu een serienummer voor het objectief registreren.

Ook met zoomobjectieven kun je AF-fijnafstelling gebruiken. In het verleden kon je slechts één instelling voor fijnafstelling registreren per objectief. Met de modernere camera's kun je echter zowel de groothoek- als de telefoto-instellingen van een zoomobjectief aanpassen.

Correctie chromatische aberratie

Aangezien licht van verschillende golflengtes verschillend wordt gebroken, kan er chromatische aberratie ontstaan doordat het licht in twee fasen wordt opgesplitst wanneer het door de autofocusoptica van een spiegelreflexcamera in de zoekermodus valt.

De fouten die door de chromatische aberratie worden veroorzaakt, kunnen worden tegengegaan door het autofocusalgoritme dat wordt uitgevoerd in de AF-processor. Aangezien verschillende typen licht een verschillende mate van chromatische aberratie produceren, is het belangrijk dat je weet onder welke lichtomstandigheden je gaat fotograferen om de juiste correctie uit te voeren.

Het ontwerp met de tweelaagse meetsensor lost dit probleem op. De camera heeft twee meetlagen die gevoelig zijn voor verschillende kleuren licht en kan zo bepalen hoeveel rood/groen of blauw/groen licht de scène bevat. Op basis van deze informatie kan de AF-processor nauwkeurig compenseren voor eventuele chromatische aberratie die optreedt in het AF-systeem. Dit is handig in alle omstandigheden, maar is vooral effectief als je opnamen maakt bij weinig licht of bij kunstmatig licht.
Een oog van een vrouw dat vijftig keer vergroot is, op het Live View-scherm aan de achterkant van een Canon EOS 6D Mark II.

Om de scherpstelling te controleren (als de AF-methode niet is ingesteld op Tracking), kun je het display met ongeveer 5x of 10x vergroten door op het vergrootglas te drukken of op het pictogram op het display te tikken.

Een bovenaanzicht van een crossmotorcircuit met twee coureurs.

Vanwege het beperkt kadreren vanuit een hoge hoek is het moeilijk te voorspellen wanneer een onderwerp in beeld verschijnt. Daarom is een groot AF-gebied, zoals Grote zone-AF: verticaal en Optie 3 een goede keuze, omdat de camera snel kan reageren als het onderwerp in het AF-frame verschijnt. © Richard Walch

AF-punt op basis van richting

Een probleem van camera's met meerdere AF-punten is dat het actieve AF-punt wellicht moet worden gewijzigd om het onderwerp scherp in beeld te houden als je de opnamestand verandert van Landscape in Portrait. Als een actief AF-punt zich bij foto's in landscape bijvoorbeeld linksboven bevindt, waar gezichten in foto's vaak te zien zijn, en je de camera kantelt, bevindt dat punt zich nu linksonder, een minder logische plek voor gezichten.

Op sommige EOS-camera's kun je deze verandering van het AF-punt of de zonemodus automatisch laten uitvoeren door de optie te selecteren in het menu Aangepaste functie.

Geregistreerd AF-punt

Bepaalde EOS-camera's hebben ook een geregistreerd AF-punt (ook wel de thuispositie genoemd). Hiermee kun je van tevoren een scherpstelpunt selecteren en hiernaar overschakelen indien nodig door op de knop te drukken waaraan je deze taak hebt toegekend in de sectie Aangepaste bediening van het menu. Dit kan werken in combinatie met de koppelingsfunctie voor de oriëntatie, zodat je voor elke oriëntatie een punt kunt registreren.

Deze functie is het handigst voor sportfotografen, waar de meeste actie vaak plaatsvindt in twee of drie gebieden in de zoeker. Je zult wel even moeten oefenen met het veranderen van het scherpstelpunt op het juiste moment.

Op sommige camera's kan een specifieke AF-methode worden opgeslagen voor elk geregistreerde AF-punt, zodat de camera de vooraf ingestelde AF-methode activeert wanneer je het scherpstelpunt verandert. Dit kan heel handig zijn voor vogelfotografen, die met deze functie bijvoorbeeld snel van een Spot AF-punt voor nauwkeurige scherpstelling op een statisch onderwerp kunnen overschakelen naar een groot Zone-AF-patroon om snel te kunnen vergrendelen op een vliegende vogel en deze te kunnen volgen.

Als je camera geen geregistreerd AF-punt heeft, schakel je over naar het middelpunt en gebruik je scherpstelvergrendeling om je gekozen onderwerp scherp in beeld te houden.

Scherpstelvergrendeling

Het centrale AF-punt van een spiegelreflexcamera in de zoekermodus is meestal het meest gevoelige punt. Dat is nuttig bij opnamen van lastige onderwerpen of bij weinig licht. Het gebruik van één centraal scherpstelpunt lijkt misschien beperkend, omdat je niet altijd wilt dat je onderwerp in het midden van het frame staat, maar je hebt toch nog best veel vrijheid.

Gebruik de techniek voor scherpstellen en compositie aanpassen om scherp te stellen op een onderwerp dat zich niet in het midden bevindt:

  1. Verplaats de camera, zodat het midden van het zoekerbeeld en het actieve AF-punt zich op het midden van het onderwerp bevinden.
  2. Druk de ontspanknop gedeeltelijk in om de scherpstelling te vergrendelen zonder een foto te maken.
  3. Houd je vinger in die positie en verplaats de camera om de compositie van het beeld in de zoeker aan te passen.
  4. Druk de ontspanknop helemaal in om de opname te maken.

Scherpstelvergrendeling vergrendelt ook de belichting. Als je scherpstel- en belichtingsmetingen van verschillende gebieden wilt uitvoeren, plaats je het beeld eerst zodanig in de zoeker dat het gebied waarvan je de belichting wilt meten zich in het midden van het frame bevindt. Druk op de knop voor belichtingsvergrendeling (*) aan de achterkant van de camera. Wijzig vervolgens de compositie van de afbeelding en druk op de ontspanknop. De scherpstelling van het objectief wordt aangepast en de foto wordt genomen met gebruik van de vergrendelde belichting.

Gerelateerde artikelen

Gerelateerde producten

Meld je aan voor de nieuwsbrief

Klik hier voor inspirerende verhalen en het laatste nieuws van Canon Europe Pro